Contactpersoon: Jürgen Mingels,043-4072579.
De huidige werkgroep verzorgt het verenigingsblad ’t Wiet Klieëf al vanaf 2002. Van 1984 tot en met 2001 heette ons kwartaalblad Ut Wiet Klief en werd door een voormalige redactie 18 jaar gepubliceerd. Door inbreng van de Historische Kring is door Jo Purnot de naam in 2002 gewijzigd.
In het kwartaalblad staan artikelen over de natuur en landschap rondom Cadier en Keer, de activiteiten van de vereniging en de waarnemingen rondom het dorp. Sinds het 50 jarig bestaan van de VTN in 2016 wordt het blad met kleurenfoto’s geïllustreerd, waaronder in elke uitgave een seizoen-foto uit de directe omgeving. Het blad wordt verspreid onder alle leden van de vereniging en diverse instanties.
Benaming:
t Wiet Klieëf ontleent zijn naam aan een natuurgebiedje met deze naam, gelegen links en rechts van het laagste gedeelte van de Duùstersjtaeg, een stukje +/- 25 meter links en een groter stuk +/- 50m naar rechts richting Hondsbèrggröb. Aan de rechterkant is een nieuw kalkgraslandje in ontwikkeling. Na recent afschrapen van de bovenlaag ziet men op de helling goed de (wit-)gele kalk, mergel aan de oppervlakte liggen, wat de naam ’t Wiet, verklaart. Deze mergel (Gulpener krijt) is opvallend witter dan de het gele Maastrichter krijt, dat hier voornamelijk voorkomt.
Sjeuf Felder († 2009) woonachtig vanaf midden jaren zeventig in Cadier en Keer verklaarde rond 2005 de benaming ’t Wiet Klieëf uit het feit dat de steile bijna klifachtige helling hier vooral bestaat uit tamelijk licht gekleurde mergel. Zonder begroeiing leek dit een witte klif. De benaming van het nabijgelegen Blankenberg betekent nagenoeg hetzelfde: blanke (witte) berg. Oud-Keerdenaren, zoals Frans Mingels (van Pierre) uit 1931 verklaren de benaming ‘t Wiet Klieëf als volgt: in het Nederlands vertaald is dat ‘het witte dat kleeft’. Het witte (‘wiet’ is wit) is de witte mergel die na een regenbui aan je klompen, schoenen, de hoeven van paarden, koeien en aan de wielen van de karren bleef kleven(‘klieëf’ is kleven).
Oud-wethouder Oostenbach heeft vanwege de overlast die deze kleverige mergel op de veldwegen veroorzaakte na een noodgeval in 1964 (het instorten van een betonnen verdiepingsvloer van het toen te bouwen gemeente huis op het Raadhuisplein) het nog vloeibare ingestorte beton laten weghalen en laten aanbrengen op onverharde wegen waaronder de Duùstersjtaeg (het gedeelte ter hoogte van ‘t Wiet Klieëf), de Hondsbèrggröb en de Boeënderdèlgröb. Van dit beton is het meeste inmiddels weg geërodeerd.
